Op de meeste routes is Maleisië het land waar je een paar dagen Kuala Lumpur doet, een stop in Penang maakt en dan weer doorreist. Vraag dezelfde reizigers een jaar later waar ze het meest over vertellen, en het gaat opvallend vaak over Maleisië. Over een kom laksa als ontbijt, over neusapen boven een bruine rivier, over een eiland zonder wegen.
Dat komt doordat Maleisië geen land is dat zich in een paar dagen laat samenvatten. Het zijn eigenlijk twee landen, met drie culturen, twee kusten met elk hun eigen seizoen, en een stuk Borneo waar je een week in kunt verdwijnen. Wie alleen de wereldstad ziet, heeft het andere Maleisië nog voor zich.
Maleisië is bovendien een land dat trouw blijft aan zichzelf.
Maleisië in het kort
Maleisië bestaat uit twee delen met de Zuid-Chinese Zee ertussen. Het ene is het schiereiland, met Kuala Lumpur, de koloniale straten van Penang en Melaka, theeplantages in de heuvels en eilanden aan beide kusten. Het andere ligt honderden kilometers verderop: Sabah en Sarawak, het Maleisische deel van Borneo, het op twee na grootste eiland ter wereld.
Het land heeft 4.675 kilometer kustlijn, de hoogste top is Mount Kinabalu op 4.095 meter, en overdag is het gemiddeld 31 graden. De officiële taal is Bahasa Malaysia, maar op straat hoor je ook Hokkien, Kantonees en Tamil, en op Borneo tientallen inheemse talen. Je betaalt in ringgit, door iedereen RM genoemd.
Twee landen onder één vlag
Het verschil tussen de twee helften voel je zodra je landt. Op het schiereiland is alles geregeld: een trein van het vliegveld die in 28 minuten in het centrum van Kuala Lumpur staat, hostels met rooftopbars, een route die zichzelf reist. Op Borneo begint het avontuur. Je vliegt er in minder dan drie uur heen, en een dag later sta je in een van de oudste regenwouden ter wereld.
Hoe apart die twee werelden zijn, merk je ook op het vliegveld. Sabah en Sarawak hebben hun eigen immigratie, dus na een binnenlandse vlucht vanuit KL sta je gewoon weer bij een balie en krijg je een nieuw stempel in je paspoort. Het is één land, maar Borneo laat je voelen dat je ergens anders bent aangekomen.
Drie culturen op één stoep
In één blok in George Town loop je langs een moskee, een Chinees clanhuis en een hindoetempel, en ruik je achter elkaar kerrie, wierook en houtskool. In Chinatown in Kuala Lumpur gaat het net zo: Chinese tempels, een hindoetempel en een moskee binnen een paar straten. Dat is geen toeristendecor, dat is hoe het land in elkaar zit.
Maleisische, Chinese en Indiase Maleisiërs wonen hier al eeuwen naast elkaar. Bijna een kwart van de bevolking heeft Chinese wortels, een kleiner deel Indiase, en op Borneo komen daar de inheemse volken bij, zoals de Iban en de Kadazan-Dusun. In Taman Negara op het schiereiland leven de Batek, een van de oorspronkelijke volken, in en van het bos.
Voor jou betekent het dat je in één dag door drie werelden loopt. ’s Ochtends een Indiaas ontbijt, ‘s middags een Chinese tempel vol rode lampionnen, en aan het eind van de middag de oproep tot het gebed boven de daken.
Een moslimland dat ontspannen voelt
De islam is de officiële godsdienst, en dat zie je aan de hoofddoeken, de halal-kramen en de vrijdagmiddag, wanneer de mannen massaal naar de moskee gaan. Wat je niet merkt is strengheid. Maleisiërs zijn ontspannen, behulpzaam en nieuwsgierig naar waar je vandaan komt.
Wel verschilt het per streek. In de conservatieve staten aan de oostkust, Kelantan en Terengganu, is bier lastig te vinden en bedek je buiten het strand liever je schouders en knieën. En tijdens de ramadan eten moslims overdag niet, terwijl aan het eind van de middag overal ramadanmarkten opengaan met de lekkerste kraampjes van het jaar. Hoe je je in een moskee, bij iemand thuis en aan tafel gedraagt, staat in regels en cultuur in Maleisië.
De straat is de keuken
Als er één ding is waarmee Maleisië je verrast, dan is het het eten. Drie keukens hebben zich hier eeuwenlang vermengd, en het resultaat staat niet in restaurants maar op straat: in hawkercentra vol kraampjes waar elke kok één gerecht maakt en dat al jaren perfectioneert. Je zoekt een tafel, onthoudt het nummer en bestelt bij drie kramen tegelijk, voor ongeveer twee euro per bord.
Elke stad heeft er iets eigens van gemaakt. Penang is de hoofdstad van het eten, Ipoh de stad van de witte koffie, Melaka die van de Peranakan-keuken, en in Kuching eet je laksa als ontbijt. Alles over wat je waar proeft staat in eten en drinken in Maleisië.
Vijfhonderd jaar handel in de straten
In Melaka loop je door vijfhonderd jaar handel. Portugezen, Nederlanders en Britten hebben er allemaal gezeten. De Nederlanders veroverden de stad in 1641 en bleven ruim anderhalve eeuw, en hun rode Stadthuys en de Christ Church uit 1753 staan nog op Dutch Square. Een Nederlands stukje Maleisië, vreemd en vertrouwd tegelijk.
Uit die handel ontstonden ook de Peranakan, nazaten van Chinese handelaren die met Maleise vrouwen trouwden, met een eigen keuken en eigen huizen vol houtsnijwerk. Melaka en George Town staan sinds 2008 samen op de Unesco-werelderfgoedlijst. In Ipoh lees je een ander hoofdstuk af: de stad werd rijk van tin, en de koloniale winkelpanden en het spierwitte treinstation herinneren daar nog aan.
Het jongste hoofdstuk speelt zich af op Merdeka Square in Kuala Lumpur. Daar ging om middernacht op 31 augustus 1957 voor het eerst de vlag van Malaya omhoog.
Bos dat ouder is dan je kunt bevatten
Het regenwoud van Taman Negara staat er al zo’n 130 miljoen jaar. Je loopt er over een loopbrug tussen de boomtoppen en hoort ‘s avonds de krekels en cicaden aanzwellen boven de rivier. Het is het soort bos waar je pas na het donker, met een gids en een zaklamp, ziet hoeveel er overdag verstopt zat.
Op Borneo wordt het nog wilder. Bij Sepilok worden al sinds 1964 orang-oetans opgevangen die hun moeder verloren, en twee keer per dag zakken ze uit de bomen naar het voerplatform. Langs de Kinabatangan, met 560 kilometer de langste rivier van Sabah, zitten neusapen, krokodillen, neushoornvogels en dwergolifanten dicht op elkaar in een smalle strook bos tussen de palmolieplantages. Je ziet ze niet vanaf een pad maar vanaf een bootje, bij zonsopkomst en zonsondergang.
Dat beeld van bos naast plantage is ook het verhaal van Borneo zelf. Juist daarom is een bezoek aan de opvang of een lodge aan de rivier meer dan een uitje. Welke jungle bij jouw reis past, lees je in jungle in Maleisië: Taman Negara of Borneo.
Twee kusten, twee seizoenen
Maleisië heeft geen koud seizoen, het is het hele jaar rond de dertig graden. Wat verschuift is de regen, en die valt niet overal tegelijk. Als de oostkust in de moesson zit, is het aan de westkust droog, en andersom.
Dat is precies de truc van dit land: er zijn eilanden voor elk seizoen. In onze winter lig je op Langkawi, in onze zomer op de Perhentian-eilanden of Tioman. Welk eiland bij welke maand en welk reistype past, staat in Perhentian, Tioman of Langkawi, en de hele kalender in de beste reistijd voor Maleisië.
Onder water
Maleisië is een duikland zonder dat het zich zo verkoopt. Bij de Perhentian-eilanden snorkel je met rifhaaien en groene zeeschildpadden, op Tioman haal je je brevet vanaf ongeveer €200, en bij Semporna ligt Sipadan, waar scholen barracuda’s een draaikolk vormen en je bij elke duik schildpadden ziet. Per dag mogen er maar ongeveer 250 mensen naartoe.
Voor een aantal eilanden voor de kust van Sabah, waaronder Mabul en Sipadan, geldt een oranje reisadvies: alleen noodzakelijke reizen. Lees het actuele advies en de voorwaarden van je reisverzekering voor je boekt. Hoe het vergunningensysteem werkt en wat je zonder Sipadan doet, staat in duiken in Sipadan en Semporna.
Een land dat soepel loopt
Het grootste verschil met de buurlanden is de taal. Veel mensen spreken prima Engels, ook bij de kraampjes, en daardoor kom je overal makkelijk mee rond. Een busstation, een menukaart, de weg vragen: het kost hier geen gebarentaal en geen vertaalapp.
Daarbij werkt bijna alles gewoon. De ETS-trein langs de westkust is snel en comfortabel, de bussen zijn op tijd en in de steden bestel je een Grab met een vaste prijs. Je hoeft hier weinig uit te zoeken om goed rond te komen.
Dat maakt het een fijn land om je reis mee te beginnen, of om na een paar weken reizen even op adem te komen. Hoe je van stop naar stop komt, en waarom je naar Borneo vliegt, staat in vervoer in Maleisië.
Wat een dag hier kost
Gemiddeld reken je in Maleisië op ongeveer €30 per dag. Op het schiereiland kom je met minder toe: een bed voor zeven of acht euro en een bord bij de hawker voor twee. Borneo is duurder, omdat je daar voor de natuur meestal een tour of een riviertocht boekt.
En bier is de uitzondering op de goedkope regel. Door de hoge accijns betaal je al snel drie euro, behalve op Langkawi en Tioman, die belastingvrij zijn. Wat een dag per plaats kost, staat uitgesplitst in wat kost backpacken in Maleisië.
Visum: 90 dagen zonder aanvraag
Met een Nederlands of Belgisch paspoort mag je 90 dagen visumvrij in Maleisië blijven. Je vult wel vooraf de gratis digitale aankomstkaart in, de MDAC, en je moet een retour- of doorreisticket kunnen laten zien. Heb je dat nog niet, dan regel je een uitreisticket.
Op Borneo krijg je een eigen stempel, ook na een binnenlandse vlucht, dus houd je paspoort in je handbagage. Alles op een rij, met de termijnen en de officiële bronnen, staat op onze visumpagina.
De helft die de meeste reizigers missen
Veel reizigers doen Maleisië in een week: Kuala Lumpur, Penang en weer weg. Daarmee zie je het makkelijke Maleisië, en dat is al heel goed. Maar het deel waar je achteraf het meest over vertelt, ligt aan de overkant van de zee.
Eet je in Penang van kraam naar kraam en zit je een week later in een bootje onder de neusapen, dan heb je allebei de landen gezien. Hoe je dat in drie weken combineert, staat in onze route door Maleisië, en de vijf ervaringen die het langst blijven hangen in de 5 highlights van Maleisië. Twijfel je op Borneo tussen de twee deelstaten, lees dan Borneo: Sabah of Sarawak.
Van hier verder plannen kan op de landenpagina van Maleisië: veertien stops op volgorde, met per plek de hostels en het dagbedrag.
Is Maleisië iets voor backpackers?
Ja, en het is een van de makkelijkste landen in de regio. Het is veilig, overzichtelijk, iedereen spreekt Engels en het eten is goedkoop en uitstekend. Voor een eerste reis is dat een fijne start, en na een paar drukkere landen voelt het als een land waar alles net iets soepeler loopt.
Waar het om vraagt is een keuze. Met twee weken zie je het schiereiland goed: de steden, de heuvels en een kust die bij jouw maand past. Met drie weken of meer komt Borneo erbij, en daar trek je minstens een week voor uit: Sepilok, de Kinabatangan en, als je duikt, Semporna.
Kijk vooraf in welke maand je reist en welke kust dan droog is, en bouw je route daaromheen. Dan krijg je in één reis de wereldstad, het regenwoud en het tropische eiland, zonder dat je er veel voor hoeft te regelen.



