Maleisië

Regels en cultuur in Maleisië: dit wil je weten als backpacker

Cultuur & regels 9 min lezen
Regels en cultuur in Maleisië: dit wil je weten als backpacker

Je loopt door Chinatown in Kuala Lumpur. Uit een moskee klinkt de oproep tot het gebed, een paar straten verderop hangen rode lampionnen boven een Chinese tempel, en daartussen staat een hindoetempel vol kleurige beelden. Niemand kijkt op. Zo ziet een gewone dag er hier uit.

Maleisië is een moslimland, maar geen streng land. Je ziet hoofddoeken en halal-kramen, je hoort vijf keer per dag de oproep tot het gebed, en tegelijk staat er in elke stad een Chinees clanhuis en kun je in een Chinees restaurant gewoon een biertje bestellen. Die mix maakt het land makkelijk, zolang je weet waar de lijnen lopen.

Die lijnen zijn niet moeilijk. Een paar regels voor moskeeën en tempels, iets om je schouders mee te bedekken, je rechterhand en een beetje gevoel voor de oostkust: meer is het niet. Wat je hier allemaal eet en waar je je biertje vindt, staat apart in onze gids over eten en drinken in Maleisië.

Drie bevolkingsgroepen in één straat

Maleisiërs zijn niet één volk. Naast de Maleisische meerderheid heeft bijna een kwart van de bevolking Chinese wortels, en een kleiner deel Indiase. Ze wonen hier al eeuwen naast elkaar, en dat lees je af aan de straat: in George Town staan een moskee, een hindoetempel en een Chinese tempel binnen een paar honderd meter van elkaar, met daartussen clanhuizen vol houtsnijwerk.

Waar die groepen echt in elkaar overliepen, ontstond iets nieuws. In Melaka en Penang wonen de Peranakan, de nazaten van Chinese handelaren die met Maleise vrouwen trouwden. Zij bouwden hun eigen huizen en hun eigen keuken: Chinese technieken met Maleise kruiden, kokos en tamarinde. In het Baba & Nyonya Heritage Museum in Melaka loop je door zo’n huis, zoals een rijke familie het ooit inrichtte.

Op Borneo komt er nog een laag bij. Daar wonen inheemse volken, zoals de Iban in Sarawak en de Kadazan-Dusun in Sabah, en hoor je tientallen eigen talen. De officiële taal van het land is Bahasa Malaysia, maar je hoort ook Hokkien, Kantonees en Tamil. En bijna iedereen spreekt Engels, tot bij de kraampjes aan toe. Dat is meteen het grootste verschil met de buurlanden: veel mensen spreken hier prima Engels, dus je komt overal makkelijk mee rond. Een routebeschrijving, een vraag over een gerecht of een praatje met de eigenaar van je guesthouse: het gaat allemaal zonder handen en voeten.

Een moslimland met een ontspannen sfeer

De islam is de officiële godsdienst, en dat merk je aan kleine dingen. Aan de hoofddoeken, aan de halal-kramen en aan de vrijdagmiddag, wanneer de mannen massaal naar de moskee gaan. Ook sommige bezienswaardigheden houden er rekening mee: in Sepilok sluit het orang-oetancentrum op vrijdag al om elf uur ‘s ochtends, en de canopy walkway in Taman Negara is op vrijdag dicht. Ben je daar op een vrijdag, plan je dag dan daaromheen.

Wat je niet merkt, is strengheid in de omgang. Maleisiërs zijn ontspannen, behulpzaam en nieuwsgierig naar waar je vandaan komt.

Moskeeën: zo ga je naar binnen

Moskeeën zijn in Maleisië geen verboden terrein voor reizigers, en een paar zijn echt mooi. In Kuala Lumpur ligt Masjid Jamek, een van de oudste moskeeën van de stad, precies op de plek waar twee rivieren samenkomen. Aan de rand van Melaka staat de Straits Mosque op palen in zee, wit met een gouden koepel, en bij hoogwater lijkt hij te drijven.

De regels zijn overal hetzelfde. Je schoenen gaan uit, je schouders en knieën zijn bedekt, en tijdens het gebed ga je niet naar binnen. Bij de grote moskeeën leen je een gewaad als je zelf niets bij je hebt. Neem toch een dunne sjaal of een lange broek mee in je dagtas, dan hoef je nergens om te draaien.

Op de eilanden kom je de moskee ook tegen. Op Perhentian Kecil ligt er een midden in het vissersdorp, en wie daar slaapt, wordt ‘s ochtends vroeg gewekt door de oproep tot het gebed. Dat hoort erbij, en het is een mooier geluid dan een wekker.

Tempels: Chinees, boeddhistisch en hindoe

De tempels zijn net zo divers als de mensen. De Batu Caves bij Kuala Lumpur zijn het heiligste hindoeïstische heiligdom van het land: een gouden Murugan van 43 meter, 272 regenboogtreden en bovenin een tempel in een kalkstenen grot. Een sarong leen je voor ongeveer €1. En laat je eten beneden, want de makaken op de trap weten precies welke tas ze moeten hebben.

Kek Lok Si op Penang is het grootste boeddhistische tempelcomplex van Maleisië, met een pagode van zeven verdiepingen en een bronzen Guanyin bovenaan de heuvel. In Ipoh zitten de tempels diep in de kalkrotsen, met Boeddha’s in het halfdonker en vijvers vol koi. Ook daar bedek je je schouders en knieën, en ga je op tijd: de grottempels sluiten vroeg, dus wees er voor vier uur. Voor de steile trappen van Perak Tong trek je iets steviger aan dan slippers.

In veel tempels gaan je schoenen uit. Twijfel je, kijk dan naar de deur: staat daar een rij schoenen, dan zet je de jouwe ernaast.

Kleding: de stad, het strand en de oostkust

In Kuala Lumpur en George Town let je vooral op je kleding als je een moskee of tempel in gaat. Op de eilanden zit het verschil in de stap van het zand naar het dorp. Kom je op Langkawi buiten de stranden in de dorpen, dan bedek je je schouders en knieën.

Aan de oostkust telt dat nog meer. Kelantan en Terengganu zijn de conservatieve staten van Maleisië, en de Perhentian-eilanden horen bij Terengganu. Op Long Beach merk je daar weinig van, maar loop je het vissersdorp in, dan trek je een shirt aan en iets over je knieën. Een sarong in je tas lost het in een paar seconden op.

Alcohol: duur, belastingvrij en niet overal

Alcohol is in Maleisië gewoon te koop, in Chinese restaurants, bars en supermarkten. Bij Maleisische eetkramen vind je het niet, en in de conservatieve staten aan de oostkust nauwelijks. Door de hoge accijns is bier bovendien prijzig: in een bar in Kuala Lumpur betaal je al snel drie euro of meer, terwijl een verse fruitshake een fractie kost.

Er zijn twee uitzonderingen, en backpackers vinden ze snel. Langkawi en Tioman zijn belastingvrije eilanden, en daar kost een blikje uit de winkel minder dan een euro. Neem alleen niet meer drank mee van het eiland af dan mag.

Op de Perhentian-eilanden ligt het weer anders. Bier is er wel, bij de beach bars op Long Beach, maar niet overal en niet goedkoop: reken op ongeveer drie euro. Buiten de stranden laat je je blikje liever staan, en in de conservatieve staten loop je niet met een biertje over straat.

De Ramadan en de feestdagen

Valt je reis in de Ramadan, dan eten en drinken moslims overdag niet. Jij mag dat wel, alleen doe je het liefst niet opvallend midden op straat of pal naast iemand die vast. Daar staat iets moois tegenover: aan het eind van de middag gaan overal Ramadanmarkten open, met gerechten die je de rest van het jaar nauwelijks ziet. Kuala Lumpur is in die weken juist op zijn lekkerst.

Ook het Chinees Nieuwjaar, in januari of februari, zet het land in beweging. Kuala Lumpur en Melaka worden druk, en Kek Lok Si op Penang hangt ‘s avonds vol met duizenden verlichte lampionnen. Reken in die weken op drukte.

Je rechterhand, je duim en de handdruk

Een paar kleine gewoontes maken een groot verschil. Geef, pak aan en eet met je rechterhand. Je linkerhand gebruik je niet om eten of geld aan te geven. Wijzen doe je met je duim in plaats van je wijsvinger: het voelt de eerste dag vreemd, en daarna doe je het vanzelf.

Bij een begroeting geef je iemand van het andere geslacht niet spontaan een hand of een knuffel. Wacht tot de ander zijn hand uitsteekt, en volg dan. Ga je bij iemand thuis naar binnen, dan gaan je schoenen uit. Dat geldt soms ook bij je slaapplek: bij Tioman Dive Resort gaan ze al bij de receptie uit.

Drugs: de grens waar niets over te onderhandelen valt

Er is één regel waar geen ruimte in zit. Maleisië heeft een van de strengste drugswetten ter wereld, en de straffen zijn extreem zwaar. Neem niets mee, koop niets en laat je niets aanpraten, ook niet op een eiland waar het allemaal heel relaxed voelt.

Te gast bij de oorspronkelijke volken

Buiten de steden kom je mensen tegen die niet in een museum wonen, maar gewoon thuis. Rond Taman Negara wonen de Batek, een van de oorspronkelijke volken van het schiereiland, en veel boottochten stoppen bij een van hun dorpen. Ga met een gids die de gemeenschap kent, vraag voor elke foto toestemming en koop iets van wat er gemaakt wordt. Je bent er te gast, en zo gedraag je je ook.

Rond Semporna op Borneo leven de Bajau Laut, zeenomaden die op boten en in paalwoningen wonen, veel van hen zonder nationaliteit. Kinderen peddelen soms naar je boot. Geef ze geen geld, snoep of spullen, vraag ze niet om voor je foto te zwemmen of te poseren, en fotografeer niemand zonder het te vragen.

Wil je meer weten over de volken van Borneo, dan kan dat op een manier waar iedereen iets aan heeft. In de Sarawak Cultural Village bij Kuching loop je door traditionele huizen, waaronder een langhuis, en zie je dans en ambachten van de Dayak-volken. In Mari Mari bij Kota Kinabalu staan de huizen van vijf volken van Sabah, schiet je met een blaaspijp en eet je een lokale lunch. En in Penang wonen op de clan jetties Chinese families al generaties boven het water: loop de steigers op, maar niet zomaar hun huizen in.

De houding die overal werkt

Bedek je schouders en knieën als je een gebedshuis of een dorp in loopt, gebruik je rechterhand, wees bescheiden met bier aan de oostkust en vraag voor je een foto maakt. Meer hoef je niet te onthouden. Maleisië is een land waar drie culturen al eeuwen ruimte voor elkaar maken, en dat doen ze voor jou ook.

Per plaats staat op de landenpagina van Maleisië wat je er doet, waar je slaapt en wat een dag kost.

Moet je je als vrouw in Maleisië bedekken?

Niet overal. Bedekken doe je vooral in moskeeën en tempels, waar voor iedereen geldt dat schouders en knieën bedekt zijn en waar je bij de grote moskeeën een gewaad kunt lenen.

Daarnaast is het in de dorpen buiten de stranden netjes om je schouders en knieën te bedekken, op Langkawi net zo goed. Aan de oostkust, in Kelantan en Terengganu, is het conservatiever. Daar trek je buiten het strand iets over je schouders en knieën aan, ook op de Perhentian-eilanden. Een sarong of dunne sjaal in je dagtas is dus het handigste wat je meeneemt: daarmee ben je in een paar seconden klaar voor elke moskee, tempel of dorpsstraat.

Waar dit bij hoort